skip to Main Content

Krijns Kwoot: Johan

En nu denken jullie dat het over Johan Schuur gaat. Dat had overigens maar zo gekund. Johan Schuur is een stille kracht in onze vereniging. Maar we hebben al veel aan hem te danken. Hij is samen met andere gemotiveerde trainers en oud-eerste elftalspelers de gedreven kracht achter onze jeugdopleiding. Ons ’technisch hart’ mag ik hem graag noemen als we elkaar zien. Of ik zou een Johan Bartels bedoeld kunnen hebben. Onze home-bookmaker. Nauwgezet noteert hij elke week de voorspellingen en het rendement stort hij in de clubkas. Mannen die goud waard zijn voor de club. Maar nee, ondanks mijn  grote waardering voor deze Johannen waren het twee andere Johannen die me de afgelopen dagen in een Roller Coaster van emoties wisten mee te sleuren.

Johan Cruijff zou 75 zijn geworden. Hij heeft dat niet gehaald en doet nog altijd pijn als je beelden van hem ziet. Als speler, als trainer, als beschouwer en als mens. Wie nog steeds durft te beweren dat een type Cruijff van toen in het hedendaagse voetbal niet meer mee zou kunnen, ja zulke types zijn er, hoeft alleen maar naar zijn supersnelle bewegingen en fabelachtige traptechniek te kijken en deze te vergelijken met de losse flodders waarop we tegenwoordig getrakteerd worden. Johan legde elke bal precies op de stropdas van zijn medespelers. Met de curve van een biljartbal. Een gemiddelde buitenspeler van tegenwoordig mag van geluk spreken als hij de stropdas van een steward of fotograaf achter het doel weet te raken. Zelfs patatverkopers moeten regelmatig even bukken als er weer eens een voorzetje “niet lekker aankwam.” Meestal zeilt de bal de tribune in.

En Johans taalgebruik? Alles wat hij zei was waar. Je moest het soms wel even tot je door laten dringen. En het had ook geen academisch gehalte. Wellicht dat hij daarom door de meeste, zichzelf tot bolleboos verklaarde, omstanders niet serieus werd genomen. Johan Cruijff was in alle opzichten een groot mens. Gelukkig kreeg hij de eer die hij verdiende, tot ongenoegen van een handjevol Cruijff-haters. Maar daar zou hij lak aan hebben gehad. Hij had daar zo zijn eigen kijk op: “Als ik zou willen dat ze me begrepen, had ik het ze wel beter uitgelegd.” Johan is niet meer, maar hij blijft in mijn geheugen en dat van vele anderen gegrift. Maar ook dat had hij al voorzien: “In zekere zin ben ik waarschijnlijk onsterfelijk.” Bij het zien van al die oude beelden, zo mooi, zo schoon, kreeg ik weer die zelfde brok in mijn keel als toen ik hem voor het eerst, als cadeau voor mijn 16e verjaardag, in levende lijve zag domineren in de Kuip bij een wedstrijd van het Nederlands elftal.

Zet daar dan eens die andere Johan tegenover. Weer kreeg ik een brok in mijn keel. Dit keer van verontwaardiging en woede. Niet eens zo zeer om wat deze Johan er uit kraamde, dat was al ranzig genoeg, maar om de reactie van zijn volgelingen.

Die andere Johan. Welbespraakt, dat zeker. Ook hem zag ik ooit als voetballer. Bij Veendam. Ik kende zijn naam amper, maar die vent met dat lange haar en die snor vergeet ik nooit meer. Wat een vreselijke voetballer, er slechts op uit om zijn tegenstander het ziekenhuis in te schoppen. Maar later, als journalist, heb ik waardering gekregen voor zijn eigen kijk op de voetballerij. Met plezier las ik zijn collumns in Voetbal International. En nog meer waardering had ik voor zijn, pas door velen later ontdekte, kennis van muziek. Niks mis mee. Een nijdig mannetje, dat wel.

Na het lezen van biografie, wat me de nodige moeite kostte en waarbij ik op bijna elke pagina wel een vraagteken kon zetten om wat er in ’s mans hoofd wel niet omging, vond ik het eigenlijk maar een trieste man.

Ik snap best dat hij zijn hele leven heeft op moeten boksen tegen de herinnering aan een vreselijke jeugd. Maar om daar nou je hele imago aan op te hangen gaat me veel te ver. Laat ik je verklappen. Hij is niet de enige die een moeilijke vader had in de jaren 60. Laat ik het omdraaien. Mannen van mijn leeftijd hebben bijna allemaal een moeilijke vader gehad in de jaren 60. De enkele keer dat ik het tegenwoordig nog kan opbrengen om een paar minuten naar hem te luisteren eindigt altijd in een zucht van: “Man, hou eens een keer op met dat “ik heb overal en aan iedereen schijt” gemekker. Jij noemt dat een kwaliteit. Ik vind het een zwakte.

Was je blijven concentreren op waar je goed in was. Een gepeperde mening geven over voetbal en heel veel muzikanten en muziekliefhebbers een groot plezier doen.

Beperk je stoere praat tot je doorrookte mancave. Blijkbaar was ook jij niet ongevoelig voor de invloed die TV op iemand heeft. Zoals in Amerika volgelingen dwepend aan de voeten van de TV dominees liggen, zo bedien jij dagelijks jouw aanbidders. Zoals jullie daar bij elkaar aan tafel zitten lijkt het wel wat op het Heilig Avondmaal van Da Vinci. Jij als middelpunt, de Jezus look-a-like. Naast je de discipelen Petrus van der Gijp en Johannes Genee. Het deert ze niks wat je er uit kraamt. Het is altijd lachen, gieren, brullen. Tot er moment komt dat je aan het kruis wordt genageld. En het is maar de vraag of je ooit weer op zal staan.

Back To Top